Mijn
laatste vakantieverhaal wijd ik geheel aan onze overburen op de camping in
Italië. Als ik aan hen terugdenk, verschijnt er direct een glimlach op mijn
gezicht. Wat een prachtig stel. We hebben veertien dagen naar ze mogen kijken
en zijn gewoon een beetje van ze gaan houden. Twee oude, rasechte Italianen, en
als we tien woorden met ze hebben gewisseld, is het veel. Toch schept het een
band, overburen zijn. Deel 2 van een
drieluik.
Vakantieverhalen
(9 deel 2/3)
In onze
tweede week treedt er een verandering op bij onze campingoverburen. Er
verschijnt ineens een familiemeneer met een grote bus. Zij veegt en veegt en
Pino haalt het hokje en het schuurtje leeg. Dat alles in een wel heel relaxed
tempo. Er wordt net als elke dag gewoon rustig en uitgebreid gegeten en
gedronken en de man met de bus blijft slapen, een nachtje of drie. Ook het
middagdutje van Pino wordt zeker niet overgeslagen. Er wordt opgeruimd, maar
rustig aan en slechts in de schamele tijd die rest tussen de dagelijkse
beslommeringen door. Doosje ... voor ... doosje. En de puinhoop wordt met het
uur groter en groter, wat een uitdragerij.
Zo begint
het er toch serieus op te lijken dat ze de boel opbreken. Zal wel voor de
winter zijn, vermoeden wij, want alles wijst erop dat ze hier een seizoensplek
hebben. Iedere ochtend bij het ontbijt speculeren wij wat er die dag bij hen staat
te gebeuren. Als we een dagje weg zijn, gokken we de stand van zaken bij
terugkomst. Steeds weer zitten we er faliekant naast. Het schiet niet op. Na
een aantal dagen blijkt de man met bus wel te zijn vertrokken en het geheel
ziet er zowaar een beetje netjes uit. Ze zullen een dezer dagen dan zelf ook
wel vertrekken.
Maar ze
vertrekken niet. Nee, de ontruiming gaat gestaag door! Met z’n tweetjes, stap
voor stap, hier een scheerlijn, daar een tentflap. Zij maakt alles grondig
schoon, overal gaat een lapje over. En ze blijft maar vegen. Hij scharrelt
rond, doet hier wat, daar wat. En weer een tukkie. Onder de boom, vlak aan de
straat, en snurken maar. Voorbijlopende campinggasten schieten in de lach en
beginnen spontaan te fluisteren.
Hoe dan
ook, langzaamaan wordt de caravan zichtbaar en dat levert een nieuw inkijkje
op. Die ouwe Tabbert zit werkelijk tot aan de nok toe volgestouwd. Het is een
wonder dat ze er zelf nog in kunnen slapen. En waar moeten ze heen met al die
losse spullen die er nog buiten liggen? Een ding is duidelijk: ze gaan
vertrekken, en wel met hun héle hebben en houden.
Benieuwd
hoe het de oudjes verder vergaat? Deel 3, het slot van dit drieluik, volgt
binnenkort.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten